Cornelis Koning 1893 - 1951

Begin jaren '20: Cornelis Koning (links), Han Bijvoet en Charles Eijck (rechts).

Werk Cornelis Koning uitgelicht

Op deze pagina staan volgende werken uitgelicht:

Foto van een onbekend fotograaf - eind jaren '10
"Vanuit m'n venster"
"Portret van een joodse man (De Jood)"
Collage reis 1920
Foto van een onbekend fotograaf - vermoedelijk 1923
Tekening zonder titel - 1923
"Amstelveld"
Beeldhouwer Cornelis Koning - 1925
"Portret van Wilhelmien van Rede met haar dochter Mart" - 1928
"Elst" - begin jaren '30
"Aal" - vermoedelijk 1935-1940
"Dolly" - jaar 1936?
"Portret van de schilder Cornelis Koning" - vermoedelijk 1940
"Corrie Jongert" en "Liggend naakt" - 1921
"Zelfportret met rode mantel" - 1941
"Boederij met sloot in Giethoorn" - 1944-1951
"Boerderij Texel" - 1947
"Cornelis Koning en Aal tekenend naar model" - inkttekening Henk Broer


Foto Cornelis Koning
Foto van een onbekend fotograaf
Eind jaren '10

Cornelis Koning werd geboren op 10 juli 1893 in het huis aan de Lagedijk 46 in Zaandijk, op de foto van eind jaren '10 het grote stenen huis rechts dat aan de achterzijde uitzicht had over de Zaan. De wegsloot is begin jaren '20 gedempt waardoor ook de verschillende loopbruggen verdwenen. Tegenover het woonhuis van de familie Koning stond een groot Zaans huis met bakkerij. Vanuit een bovenraam is dit pand, waarvan de eigenaar al vanaf 1825 een bakkerijvergunning had, door Koning verschillende malen geschilderd.


Foto Cornelis Koning
"Vanuit m'n venster"
Olieverf op board, 31 x 27 cm (b x h)
Gesigneerd rechtsonder C. Koning

Vóór 1920 schilderde Cornelis Koning dit uitzicht op de overkant vanuit een bovenraam van zijn huis. Bijna beeldvullend de woning met de bakkerij, nog net zichtbaar achter de bomen rechts van het midden. Via een oplichtend loopbruggetje wordt het oog geleid naar een paar huizen verder weg, waarbij rechtsboven het kleinere witte huis met rode dak prachtig contrasteert met het grote donkere huis dichterbij.

De familie Koning verhuist eind jaren '10 vanuit Zaandijk naar de Stationsstraat 34 in Koog aan de Zaan. Vader Koning, geboren in 1850 in Purmerend, was eigenaar van een aantal molens en koopman/oliefactor. In 1880 kocht hij oliemolen "Sint Lucas". In 1896 verkocht hij oliemolen "De Bezem". De olieslagerij met behulp van windkracht taande en werd overvleugeld door de stoomoliefabricage waarin ook vader Koning zich op een gegeven moment begaf. Hij associeerde zich met zijn neven Klaas Honig Kz. en Hendrik Honig Cz. De firma "Honig en Koning" liet in 1898 aan de Zaan bij de Mallegatsluis de stoomoliefabriek "Wilhelmina" bouwen. Korte tijd later werd de firma al geliquideerd. Vader Koning ging failliet. In 1890 was hij getrouwd met Willemien de Jager, geboren in 1861 in Zaandijk. Samen kregen zij 3 zoons. De oudste Evert, geboren in 1891 werd arts in Naaldwijk en later in Kediri op Java. Broer Piet, geboren in 1892, die ook tekentalent had, werkte o.a. op de restauratieafdeling van het Rijksmuseum in Amsterdam. Beide broers van Cornelis werden slachtoffer van de Tweede Wereldoorlog. Evert overleed in een jappenkamp. Broer Piet die in Hilversum woonde kwam er te overlijden door hongeroedeem.


Nauerna van Cornelis Koning
"Nauerna"
Olieverf op linnen
R.o. C. Koning '19
Portret van een joodse man (De Jood) van Cornelis Koning
"Portret van een joodse man (De Jood)"
Olieverf op linnen, 138 x 80 cm
Gesigneerd r.o. C. Koning, vermoedelijk 1921
Detail portret van een joodse man (De Jood) van Cornelis Koning
Detail "Portret van een joodse man (De Jood)"
Portret van een jong meisje van Cornelis Koning
"Portret van een jong meisje"
Olieverf op paneel, 28 x 20 cm
Niet gesigneerd, niet gedateerd
Volksgaarkeuken van Cornelis Koning
"Volksgaarkeuken"
Olieverf op papier, 42 x 60 cm
Gesigneerd r.o. C. Koning
Detail Volksgaarkeuken van Cornelis Koning
Detail "Volksgaarkeuken"
Straatsc&eagrave;ne van Cornelis Koning
"Straatscène"
Potlood op papier, 13,5 x 21,5 cm
Gesigneerd r.o. C. Koning

Als Cornelis Koning na de lessen op jonge leeftijd van Zaankanter Freek Engel (1872 - 1958) en na een 2-jarige opleiding aan de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam aan zijn studie aan de Rijksacademie begint heeft hij een schilderstijl ontwikkeld die aansluit bij het impressionisme van de late Haagse School. Met zijn jeugdvriend Jaap Kaal (1893 - 1960) heeft de natuurliefhebber het landschap in de Zaanstreek ontdekt. Een mooi voorbeeld is bovenstaand schilderij dat mogelijk op locatie gemaakt is en-plein-air bij Nauerna. De nog jonge kunstenaar zwierf ook in de omgeving van Laren, waar hij een half jaar verbleef, in Breukelen en Driebergen en tekende en schilderde er de heide, weitjes met koeien omzoomd door knotwilgen, de slootkanten, een bruggetje, huisjes met tuinen en schuren.
Toch moet de kunstenaar die zijn vak als een roeping beschouwde, sterk de behoefte en de noodzaak gevoeld hebben zich verder te ontwikkelen. Hij moet gedacht hebben de beste mogelijkheid daartoe te krijgen door een studie aan de Rijksacademie te beginnen. Koning deed in 1917 toelatingsexamen en werd aangenomen. De Rijksacademie in die tijd was een instituut waar men vooral de oude Nederlandse kunst en die van de Haagse en Amsterdamse School kende. Koning start met tekenen en gaat vervolgens naar de schilderklas en krijgt in 1920 voor het best geschilderde naakt de Cohen - Gosschalkprijs.

Na 2 jaar schilderklas begint de student te werken in een loge, een eigen atelier om zich voor te bereiden op de Prix de Rome wedstrijd. Koning laat zijn impressionistische stijl los. Hij gaat anders kijken. Hij weet zijn werk te vernieuwen en ontwikkelt een meer expressionistische visie. Zijn vormentaal is veranderd, vormen worden vereenvoudigd, meer gestileerd. We zien een expressionisme niet met een uitbundige kleur, maar met een kleur die wordt ingehouden en die meer een gevoelswaarde krijgt.
De student schildert in zijn logetijd portretten, soms ten voeten uit, zoals het karakteristieke portret van een Joodse man. Hij schildert met dunne transparante olieverf de mansfiguur over een stilleven heen, op een enkele plek nog zichtbaar. Er gaat duidelijk iets van mededogen uit van dit krachtige portret. Vermoedelijk ook in deze periode schildert hij met minder verdunde olieverf in meerdere lagen over elkaar het portret van een meisje met licht haar en sprekende ogen. De schilder bereikt op groot formaat veel in een portret van een joodse man maar laat het ook zien op klein formaat in dit meisjesportret.
Koning kiest verder vooral onderwerpen uit het alledaagse leven van de bewoners van Amsterdam, waarvan hij zowel de binnenstad als de stadsranden verkent. Hoogleraar Antoon Derkinderen (1859 - 1925) vond dat kunst en maatschappij een duidelijk verband hadden en hij zal Koning gestimuleerd hebben deze relatie vooral te zoeken buiten het academiegebouw. In Amsterdam was het crisistijd. Na de eerste wereldoorlog was er even een economische opleving geweest maar de situatie was begin jaren '20 alweer verslechterd. Koning tekent en schildert overdag en ook wel s'avonds stadsgezichten, taferelen op markten aan het Amstelveld en het Waterlooplein, marktkramen met dieren en straatscénes. Hij heeft oog voor allerlei mensen, ook zij die moeite moeten doen het hoofd boven water te houden en tekent en schildert hun houdingen en bewegingen. De kunstenaar experimenteert met verschillende compositieschema's. We zien spelende kinderen, optochten met toeschouwers, groepen mensen en voertuigen, kerkgangers, reizigers in de trein, een begrafenisstoet.
In een schilderij als 'Volksgaarkeuken' kijken we naar eenvoudige mensen, de armen uit de onderklasse die voor een maaltijd aangewezen zijn op de gaarkeuken. Ook hier voelt men een mededogen bij de maker van deze bijzondere compositie waar de invloed van de Amsterdamse Breitner, in de manier waarop de figuren zijn verbeeld, te herkennen is. In de gaarkeuken van Amsterdam schoof Cornelis Koning, die uit ervaring wist wat hongerlijden was, zelf ook wel aan een van de tafels aan. De compositie lijkt zo ontstaan alsof de maker, zittend aan tafel zich even heeft omgedraaid.
De ouders van Koning, die eerder hadden gehoopt dat hun zoon voor een gewone kantoorbaan zou kiezen, steunen hem in deze tijd zoveel mogelijk, al hebben ze het niet erg breed. In een brief schrijft zijn moeder dat haar geen opoffering te groot is want zij gelooft in het kunstenaarschap van haar zoon en wil alle moeite doen ...."'t is op mijn leeftijd een heele onderneming, maar ik geloof dat ik door 'verhuren zonder pension' nog wel wat zou kunnen bereiken / je zit altijd met die drommelsche hypotheek"....  Zij volgt de artistieke ontwikkeling van haar zoon met grote belangstelling en geeft ook haar mening: "...Ik ga telkens je schilderij eens bekijken, ik vind ze prachtig geschilderd, maar ik kan mij niet begrijpen, dat jij, met je in teere en diep voelende natuur, deze figuren niet hebt geplaatst in een pakkende omgeving / ik geloof met jou, dat het van de kunstwaarde niets afdoet, maar het maakt een teederder indruk"...

Behalve voor een schilder als George Breitner, die hij zeer bewonderde moet Koning ook een bijzondere belangstelling hebben gehad voor de van origine Oekraïnense kunstenares Marie Bashkirtseff. De jonge kunstenaar las haar dagboek in de Franse taal en heeft delen ervan zelf vertaald. De interesse voor types uit het volk delen beiden. Die belangstelling groeit bij de artistiek zeer begaafde Bashkirtseff, die vooral verkeerde in mondaine kringen, als zij vanuit haar rijtuig begint te tekenen. Zij schrijft: "God, wat is de straat toch interessant! De gelaatsuitdrukkingen van de mensen, de eigenaardigheden van ieder individu, de duiksprongen in de ziel van onbekenden."
Een expressief schilderij als 'Le meeting' van Bashkirtseff, nu in het musée des Beaux-Arts in Nice, met een groep kinderen op straat, moet Koning zeker hebben aangesproken. De in 1858 geboren Marie Bashkirtseff werd toegelaten tot de Académie Julian in Parijs, de enige academie die vrouwen accepteerde in die tijd. Zij noteert in haar dagboek naar aanleiding van een kritiek van een zekere Drumont op het schilderij 'Le meeting', dat zij exposeert op de Salon: ...."Hij verafschuwt het genre dat ik maak, maar complimenteert me uitbundig, terwijl hij me verbijsterd vraagt hoe het kan dat ik, die leef in een omgeving van elegantie en raffinement, houdt van het lelijke"...  Marie Bashkirtseff werd ernstig ziek en stierf op 25-jarige leeftijd aan de tering.

Met de sociale en hulpvaardige directeur en hoogleraar Derkinderen - hij hielp zijn studenten ook met materiële zaken - had Koning een goed contact. De professor hield op twee ochtenden in de week 'spreekuur'. In een brief die directeur Derkinderen schreef na het afstuderen van Koning memoreert deze aan de wekelijkse bezoeken aan zijn student ...."Dinsdag een nieuw en gevoelig motief opgezet te zien, dat was voor mij altijd iets animeerends!"....
Als Derkinderen in juli 1921 voor bijna een jaar naar Italië vertrekt moet de student zijn mentor missen en moet hij het doen met een paar kunstkaarten die Derkinderen vanuit Venetië stuurt. De lange afwezigheid van de hoogleraar is wel aanleiding voor Koning en mede-studenten Paula Mouthaan en Han Bijvoet om te protesteren bij Nico van der Waay en de andere hoogleraren en zij krijgen dan ook verlenging en mogen hun loge een jaar langer gebruiken.
In juli 1924 wordt in het gebouw aan de Stadhouderskade in twee zalen een tentoonstelling gehouden van een 50-tal werken van (ex)studenten van de Rijksacademie. Koning is met 8 werken vertegenwoordigd en studiegenoten Teun Bakker, Willem Hofker, Cees Bolding, Paula Mouthaan e.a. doen ook mee. Helemaal vanzelf ging de voorbereiding en inrichting van de expositie niet. Antoon Derkinderen liet wat hij noemde "de generale repetitie" aan zijn studenten over want hij kon er niet bij zijn en schreef aan Koning:..."Wanneer er voor een groote muzikale uitvoering een repetitie gehouden wordt, dan gaat het er ook wel eens moeilijk toe. Wanneer het niet heel erg is dan slaagt de repetitie niet zeggen de musici"....
Op de academie ontstonden allerlei vriendschappen, desondanks ging er wel eens iets mis. Wanneer het initiatief wordt genomen om gezamenlijk een album met werk te maken en aan te bieden aan koningin Wilhelmina vanwege haar 25-jarig regeringsjubileum in 1923 blijkt het heel lastig te zijn dit voor elkaar te krijgen. Paula Mouthaan komt ervoor terug uit Parijs en spant zich in om iedereen binnenboord te houden want een aantal mensen zoals Jan Sluyters, die gevraagd zijn of beloofd hadden mee te doen, haakt af.
Studiegenoot en vriend Han Bijvoet, is gevraagd het titelblad voor zijn rekening te nemen maar is  "door drukte verhinderd". Hendrik Jan Wolter, Han Meyer en Koning hebben er ook niet veel zin in. Hare Majesteit was wel positief en laat weten voor het album zeer gevoelig te zijn en het persoonlijk te willen ontvangen. Uiteindelijk werd een deputatie gevormd die het album 6 september op het paleis in Amsterdam mag komen aanbieden. Het Hof wil dan precies weten wie de commissieleden zijn, laat op het laatste moment in een telegram weten dat de deputatie om kwart voor 5 wordt verwacht maar dat er geen tijd is voor een speech. Uiteindelijk gaat dit ook niet door en mag het album wel nog in Den Haag bij de Particulier Secretaris Van Geen afgegeven worden. Of commissielid Koning er bij aanwezig is geweest is niet bekend en ook is niet bekend waar het album precies terecht is gekomen.
Haarlemmer Han Bijvoet haakte al eerder af, maar hij was wel iemand op wie Paula en Cornelis bijzonder gesteld waren en bleven. Als in januari 1923 de moeder van Koning overlijdt schrijft Bijvoet hem een brief om Koning te condoleren en raadt hem aan hard te werken en afleiding te zoeken: "dat jij ook je werklust weer terug zult krijgen, dat is 't eenigste geneesmiddel, ik merk wanneer je in dergelijke gevallen niet gaat werken dat je dan hard op weg bent gek te worden, vergeet ook niet dat er een band tusschen de levenden en de dooden is dikwijls sterker dan tusschen de leevenden". Verder komt hij nog met niet al te fleurige berichten wat hij heel vervelend vindt voor zijn vriend. Hij neemt Koning in vertrouwen en vertelt dat het uit is met zijn Duitse vriendin: ..."Je weet mijn meisje is een half jaar door de ziekte van haar moeder genoodzaakt geweest in Duitschland te blijven, door eenige moffen en de omgang met nietelingen daar in die tijd is haar caracter zoo ontzettend veranderd, dat ik haar niet terugkon, 't grootste gedeelte van wat mooi in haar was schijnen ze er uit gescheurd te hebben en verwoest zonder dat ik er iets aan doen kon. Ik ben nog heelemaal naar Beieren geweest om haar te halen, maar al 't moois van vroeger was verdwenen, hoe of iemand zoo kon veranderen begrijp ik zelf niet, ik heb nog veel grotere haat dan vroeger aan de mondaine stront van de maatschappij gekregen"...
Paula Mouthaan wil na de geschiedenis met het album het liefst weer zo snel mogelijk voor een maand terug naar Parijs. Eerst reist ze naar de Chevreuse om bij de familie van hoogleraar Jan Bronner te logeren en reist dan naar Parijs om in hotel Beauvoir een kamer te betrekken. Daar wordt ze flink ziek. Ze heeft volgens de dokter een "Typhus niet van de kwaadaardige soort". Ze geniet er van het uitzicht maar zou veel liever "den Luxembourg, een lievelingsplaatsje" in willen lopen. Ze mag of kan er niet uit en kan er ook niet boodschappen doen of koken. De restaurants, schrijft ze aan Koning, staan haar tegen "met de vieze duimen van de overhitte kelners in het eten". Koning schrijft haar en Mouthaan antwoordt: ..."Ik heb niemand om me heen die dezelfde levensliefde deelt - Ik houd zoo van het leven, ik geloof in al zijn uitingen, en ik ben er ook verliefd op, in mijn beste buien, op alles, op het licht, op het groeien, het bewegen van mensen en dieren, alles het is niet te zeggen, ik ben er gelukkig van, en - maar ik weet dat de meeste menschen dit niet kennen, en merken zij er iets van, het verkeerd uitleggen". Mouthaan heeft in vriend Koning een soulmate gevonden en hoopt op "een groei in die vriendschap". Ze schrijft opnieuw dat ze in Parijs weer eens ziek geworden is en heeft het plan om maar weer terug naar Delft te gaan. Bovendien wil ze naar de academie om er op de zolder "enige dingen te zoeken" en ze wil graag "onze grote vriend" Derkinderen en ook Bronner weer eens zien. Ze wil Koning graag spreken en met hem lachen: "Koning weet je nog, wat hebben we dikwijls gelachen, en wat is dat zalig om dat zoo royaal te kunnen doen. O weet je nog, toen jij die leelijke zwarte pastoorshoed van ma op hadt? We hebben dikwijls plezier gehad".


Werk Cornelis Koning
"Brugge"
Olieverf op linnen, 51 x 61 cm
Gesigneerd en gedateerd
l.o. C. Koning 1920
"Begijnhof Brugge"
Inkt en krijt op getint papier, 65 x 50 cm
Gesigneerd en gedateerd r.o. C. Koning 1920
Werk Cornelis Koning
"Parijs Rue La Fayette"
Potlood op papier, 23 x 31 cm
Gesigneerd en gedateerd
6 september 1920
"Cuesmes"
Potlood op papier, 28 x 22 cm
Gedateerd r.o. C. Koning 1920

Tijdens zijn studie aan de Rijksacademie ontving Cornelis Koning, in drie opeenvolgende jaren, in 1921, 1922 en 1923 de Koninklijke Subsidie. Het geldbedrag van 600 gulden per jaar was meer dan welkom. Het gaf hem meer lucht want de student werd waarschijnlijk nog door zijn ouders onderhouden. Hij was enige tijd treinstudent en pendelde tussen Koog aan de Zaan, en later na een verhuizing, vanuit Bussum waar hij ook nog bij zijn ouders woonde, naar de hoofdstad. In die tijd moet hij al wel gezocht hebben naar een eigen plek om te wonen en te werken. Soms wist men ook niet precies waar hij verbleef en werd post voor hem gestuurd naar de Rijksacademie of naar zijn ouders in Bussum.
De studenten met wie hij het meest contact had waren behalve Charles Eyck en Gerard Drost ook Haarlemmer Han Bijvoet, Teun Bakker uit Oostzaan en de in Delft geboren Paula Mouthaan.
Gedurende enige tijd, niet bekend wanneer en hoe lang deelde hij een woning aan de Ringdijk in Amsterdam met Gerard Drost (Amsterdam1895 - Amsterdam1969?) en met hem eveneens een atelier in een voormalige haringrokerij in de haven van Huizen. Nog vele verhuizingen zouden volgen.
Eind 1924 moet Koning een atelier hebben gevonden in Amersfoort. Niet bekend is hoe lang hij daar gewerkt heeft.
Pas in 1925 verhuist Koning officieel naar Amsterdam naar de 1e Van Swindenstraat 45. In 1929 verhuist de kunstenaar naar de Van Woustraat 170 waar hij tijdlang moet hebben ingewoond bij zijn vriend de kunstenaar Willem Jansen (Amsterdam 1892 - Westzaan 1963) of andersom heeft Jansen met zijn gezin nog bij Koning ingewoond, voordat deze besloot terug te verhuizen naar de Zaanstreek om opnieuw, waarschijnlijk door geldgebrek, te gaan inwonen bij Abel Venema in de Allanstraat in Westzaan.

De Rijksacademiestudent Cornelis Koning had een grote verering voor schilders als Breitner en Van Gogh. Vooral de laatste heeft grote invloed gekregen op de jonge kunstenaar die de brieven las die in 1914 in een eerste uitgave waren verschenen. Koning bleef zijn leven lang de brieven van Vincent aan Theo herlezen en zij werden a.h.w. zijn bijbel.
Met een andere Rijksacademiestudent Jan Rot (Zaandam 1892 - Amsterdam 1982), ook een bewonderaar van Van Gogh, onderneemt hij in de zomer van 1920 een reis naar België en Noord-Frankrijk. Ze reizen per trein of gaan te voet naar Antwerpen, Mechelen, Lier, Gent en Brugge en naar de Borinage. Uiteindelijk wilden ze Parijs bereiken. Onderweg wordt getekend en geschilderd. Ze bleven twee maanden weg. Aan de hand van gedateerde tekeningen is de reis te volgen. Eind juli zijn ze in Antwerpen.
In de stad aan de Schelde zwerven de reizigers langs de haven en door het oude centrum en het park en tekenen er stadsgezichten en mannen en vrouwen, de buildragers en sjouwers.
Koning had een niet-gesigneerde tekening in zijn bezit, die hij altijd heeft bewaard in een map samen met een aantal tekeningen die hij in Antwerpen heeft gemaakt. De tekening wordt aan Emiel Gastemans (1883-1956) toegeschreven en deze Belgische kunstenaar moet hij in de havenstad hebben ontmoet. Mogelijk hebben zij tekeningen geruild.
Ook Mechelen, Lier en Gent worden bezocht. In Brugge verbleven Koning en Rot waarschijnlijk 10 dagen op de heenreis naar Parijs en bezochten de stad met haar middeleeuwse architectuur opnieuw op de terugreis. Koning verkocht er werk en kon daardoor een nieuw fluwelen pak kopen.
Eind augustus bereiken ze de Borinage. Vincent van Gogh, van 1878 tot 1880 nog prediker, woonde in de Borinagestreek tussen de mijnwerkers o.a. in Cuesmes waar nu nog zijn woning is terug te vinden. Cuesmes was voor Vincent de ommekeer. Hier besloot hij voor het kunstenaarschap te kiezen.
Koning en Rot tekenen er mijnwerkers. Ook bezoeken ze Mons en La Louvière St. Pierre. Van Koning is één potloodtekening bekend, gemaakt in Parijs. Vanuit een bovenraam tekent hij een gezicht op de rue La Fayette. Of de reisgenoten lang in de hoofdstad zijn gebleven is niet bekend. Ze moesten in ieder geval weer naar Amsterdam omdat het nieuwe studiejaar aan de academie was begonnen en directeur Antoon Derkinderen was dan ook opgelucht toen de twee weer terug waren.

De nu nog bekende tekeningen van Cornelis Koning gemaakt tijdens de reis met Jan Rot geven informatie over locatie en datum:
Lier, Begijnhof
29 juli? Mechelen
29 juli Antwerpen
30 juli Antwerpen
31 juli Mechelen
31 juli Mechelen
7 aug Brugge
11 aug Brugge
14 aug Brugge
17 aug Brugge
24 augustus Cuesmes
26 augustus Cuesmes
27 aug Cuesmes
27 augustus Mons
30 augustus La Louvière St.Pierre
6 sept Parijs Rue Lafayette

Cornelis Koning en Jan Rot, allebei Zaankanters, waren in 1920 jonge kunstenaars met waarschijnlijk verschillende opvattingen. Jan Rot die later politiek tekenaar werd verbond zijn kunst meer aan zijn politieke overtuiging. Koning was eveneens idealistisch maar meer strevende het "hoog goddelijke in de brokken van 't groote leven, waarin we zelf staan, te zoeken, en naar buiten te brengen" zoals hij het eens tijdens zijn studie omschreef op een vragenformulier voor de lexicon van Pieter Scheen. Later werd zijn credo kort en krachtig: "Blijven zoeken!".
Opmerkelijk is dat in het boek van Marien van der Heijden over Jan Rot, verschenen in 1988, de reis in 1920 wel aan de orde komt en dan specifiek de Borinage maar dat de naam van Cornelis Koning helemaal niet genoemd wordt.


Foto Cornelis Koning
Foto van een onbekend fotograaf
vermoedelijk 1923

Vermoedelijk in een atelier zien we in het midden en rechts op twee schildersezels geplaatst, en links daarvan op een stuk board geplakt, verschillende werken van Cornelis Koning. Een man links, nog net zichtbaar, houdt met zijn rechterhand een geraamte vast dat als steun lijkt te dienen voor het stuk board eronder. Een andere man steunt de ezel in het midden. Misschien zijn beide mannen studiegenoten en/of vrienden van de kunstenaar. Al lijkt het geheel op een geïmproviseerde mini-expositie, men vond het toen de moeite waard om het tentoongestelde, inclusief de twee 'assistenten', op foto vast te leggen.

Koning studeerde in 1923 nog aan de Rijksacademie aan de Stadhouderskade in Amsterdam of was bijna klaar. Bovenstaande foto zou daarom ook daar gemaakt kunnen zijn in de loge (nummer 13), een eigen atelierruimte, die hij er toen had.

Van alle op de foto getoonde werken zijn de verblijfplaatsen van slechts 2 mij bekend. In het midden onder tegen de ezel een schilderij met de titel "M'n kachel". Dit op board geschilderde werkstuk is nog altijd in particulier bezit. Rechtsonder zien we nog net de bovenste helft van een werk met de titel "Avond Zaandammerdijk". Eveneens in particulier bezit.
In het midden de "Stervende knaap", een liggende jongeman die de dood nabij is. Het geraamte links zou model gestaan kunnen hebben voor de figuur rechtsboven in het schilderij. Verblijfplaats onbekend.
Rechts een groot werk met achterkanten van huizen in de winter. Twee kinderen op de voorgrond. Verblijfplaats onbekend.
Linksonder een kleiner werk dat het schilderij "Lijkstoet" zou kunnen zijn. De titel van dit werk komt op een tentoonstellingslijst voor. Verblijfplaats onbekend. Daarboven eveneens opgeplakt een voorstelling van figuren onder een kale boom met huizen aan de overkant van een water. Verblijfplaats onbekend.


Werk Cornelis Koning
Tekening zonder titel - 1923
Potlood op papier
26,2 x 17,5 cm, gesigneerd

3 - 8 januari
Ter nagedachtenis aan mijn onvergetelijke moeder - de liefde - de gerechtigheid - de waarheid

Bussum - Iepenlaan 7 - C.Koning

"Bovenstaande tekening is er een die een bijzondere plaats inneemt in het vroege werk van Koning. Op klein formaat geeft de kunstenaar een gedetailleerde voorstelling van 2 figuren in een landschap. Een man met hoed draagt een plant in een bloempot, een kleiner en jonger iemand loopt met de man mee. Op de achtergrond zien we tussen hoge rechte bomen met grillige takken links en rechts figuren met koeien. De horizon wordt afgesloten door 2 boerderijen en een schuur. Van de bomen zien we wortels die zichtbaar zijn gemaakt en naar beneden doorgroeien. Op de voorgrond bedekken (kool)plantvormen de aarde.

Koning herdenkt in deze tekening zijn op 3 januari 1923 in het sanatorium in Zeist overleden moeder Wilhelmien Koning-de Jager met wie hij een heel sterke band had. Studievriend aan de Rijksacademie en Prix de Romewinnaar Charles Eyck (1897 - 1983) verblijft in Italië en ontvangt in Anticoli een brief van Koning waarin deze van het overlijden van zijn moeder bericht. Eyck probeert Koning een hart onder de riem te steken en antwoordt op 1 maart: "........  Je moedertje heb ik ook gekend al was het maar heel kort en heb er een mooie herinnering aan bewaard - En toch beste jongen is het een feit dat men moet aanvaarden en dat in onze mentaliteit de oorzaak kan zijn van een nog diepere en mooiere wending - maar ook van den anderen kant van grooten invloed kan zijn bij den opbouw eener levensschoonheid...."

Kenmerkend voor deze potloodtekening zijn de gesloten vormen. Koning gaat vooral uit van contourlijnen. We zien verschillende details maar toch is er al sprake van vereenvoudiging. Pas enige jaren na 1923, dus later in zijn ontwikkeling als tekenaar zal Koning de omtreksvormen doorbreken en zien we steeds meer speelse en losse potloodlijnen."


Werk Cornelis Koning
"Amstelveld"
Olieverf, afmetingen onbekend
Verblijfplaats onbekend

Op de voorstudie van het schilderij met de titel "Amstelveld" zien we een aantal figuren rond een marktkraam. Linksvoor een man met een pet die met beide handen een voorwerp, een stropdas? vasthoudt dat hij aan marktbezoekers laat zien. Op de achtergrond meerdere mensfiguren. Markttaferelen is een van de onderwerpen waar Koning zich in het begin van de jaren '20 veelvuldig mee bezighoudt.
In het voltooide schilderij zien we dat de maker in de compositie een aantal veranderingen heeft toegepast. Er is meer ruimte open gelaten tussen de verschillende figuren op de voorgrond en in de achtergrond. Alles is meer langs een zig zaglijn geplaatst, waardoor de voorstelling dynamischer is geworden.

In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 27 september 1923 verschijnt in de rubriek Letteren en Kunst een artikel gewijd aan een groepstentoonstelling in Kunstzaal Everts in Rotterdam. Een van de exposanten is Koning. De recensent die de kunstenaar "een van onze meest begaafde jongeren" noemt, ziet er tekeningen en schilderijen van o.a. stadsgezichten en marktscénes. Mogelijk was het doek "Amstelveld" er ook te zien.
Annie Mankes - Zernike, weduwe van de kunstenaar Jan Mankes (1889 - 1920) woont in Rotterdam, bezoekt de expositie en "moet toegeven aan het verlangen iets blijvends" van Koning te bezitten. Dat doet ook haar vriendin en huisgenote Willy van Stockum die een tekening koopt. Annie Mankes die aan de Groene Zoom woont nodigt de kunstenaar in een brief uit om eens te komen kijken hoe het schilderij hangt. Zij schrijft hem dat zij "nog nooit ander werk heeft willen ophangen naast het werk van haar man maar dit houdt 't er naast uit". Haar brief eindigt met "Werkt u maar heerlijk verder. Wat een diepe vreugde om 't te kunnen en mogen doen hé? Ik heb er met mijn man van mee genoten altijd..."


Werk Cornelis Koning
Cornelis Koning (links) en Wilhelmien en Gijsbert van Rede(?) - rond 1925
Werk Cornelis Koning
Beeldhouwwerk Cornelis Koning
Werk Cornelis Koning
Ontwerp monument Koningin Emma
Werk Cornelis Koning
Ontwerp monument Koningin Emma
Werk Cornelis Koning
"De kinderen van Teeseling" - olieverf op doek - verblijfplaats onbekend

In de Lexicon van Pieter Scheen wordt vermeld dat Cornelis Koning ook beeldhouwer was. Van al het werk dat hij als beeldhouwer heeft gemaakt is helaas niets bewaard gebleven. Slechts een paar foto's geven een indruk van wat hij als beeldhouwer heeft gecreéerd.
Waarschijnlijk is Koning pas op de Rijksacademie serieus met klei gaan werken. Dit onder de hoede van Professor Jan Bronner. Naast de schilderlessen is hij dus even leerling geweest bij Bronner. Dit past heel goed bij de student Koning die zich bezighoudt met de menselijke figuur en met mensengroepen en die tijdens zijn hele verdere leven ook als tekenaar-schilder zich vooral concentreert op de vorm en de suggestie van de ruimte. Ook op de bewaard gebleven foto's zien we dat hij in zijn beelden streeft naar vereenvoudiging en details weglaat.
Op een goeie dag moet Bronner hebben gevraagd aan de amanuensis Van Teeseling om een beeld van Koning af te gieten. Hij vond het de moeite waard. Van Teeseling legde het beeld over zijn schouder waarop het in tweeén brak.
Van de hand van Koning is uit zijn academietijd ook een dubbelportret bekend van de kinderen van de amanuensis Eddy en Cor. Cor gaat later ook studeren bij Bronner op de academie en wordt beeldhouwer. Cor van Teeseling is in 1941 opgepakt door de Duitse bezetter en in november 1942 gefusilleerd.

Boetseren is de kunstenaar blijven doen. In zijn atelier had Koning een kleikist staan en zo af en toe greep hij naar de klei. Dit heeft hij ook gedaan toen hij bij de familie Van Rede verbleef in Bennekom. Hij heeft daar gewerkt aan een model in klei voor het monument van Koningin Emma dat in Den Haag zou worden geplaatst. Het is niet uitgevoerd, het bleef bij een ontwerp.


Werk Cornelis Koning
Portret van Wilhelmien van Rede met haar dochter Mart
Gesigneerd en gedateerd r.b. C. Koning 1928
Olieverf op linnen,  B x H 100 x 75 cm

Op dit schilderij met liggend formaat zien we Wilhelmien van Rede met haar dochter Mart en een kat die het tafereel completeert. In de ruimte rechts is de achtergrond teruggebracht tot enkel kleurvegen. Koning heeft de verf dun gebruikt en heeft op enkele schaduwpartijen een glacis aangebracht. De geportretteerden zijn nog weergegeven met duidelijk gesloten contouren.

Wilhelmien van Rede - Prins was getrouwd met Gijsbert van Rede en woonde met haar man en 7 kinderen in Bennekom.
Gijsbert van Rede (1891 - 1980) was net als zijn oudere broer Willem van Rede kunstverzamelaar. Hun vader had in Rotterdam aan de Schiekade een commissiehandel in granen, zaden en peulvruchten. Na diens dood waren de broers in staat te gaan rentenieren. Het verhaal wil dat Gijsbert van Rede op een goeie dag de Rijksacademie in Amsterdam binnenwandelde om er kennis te maken met talentvolle studenten  op aanwijzing van de directeur Antoon Derkinderen. Zo heeft hij er Cornelis Koning ontmoet. Een ander verhaal zegt dat Van Rede en Koning elkaar al  eerder kenden van de alternatieve dienstplicht die beide (bijna) leeftijdgenoten vervuld zouden hebben.
Koning en Van Rede konden het goed met elkaar vinden. In een brief aan vriend Willem Jansen gedateerd 31 mei 1923 laat Koning weten 4 brieven te hebben ontvangen van Van Rede "diep van inhoud" en schrijft hij verder: "er zijn maar weinig mensen met wie je over de Heiligheid kunt spreken, o zo weinig, en een van die weinigen is mijnheer van Rede. 't Is een innig fijne man, die ik zeer hoogacht".

Waarschijnlijk kocht Van Rede werk van de kunststudent en later in 1926 werd Van Rede ook zijn maecenas. De financiële ondersteuning van Koning door Van Rede duurde tot 1935 en bestond uit een jaargeld van 3000 gulden. Zelf vond hij zijn inkomen zo royaal dat hij op zijn beurt een andere kunstenaar, de graficus Willem van Lierop (Amstelveen 1891 - Wageningen 1968) financieel kon ondersteunen. Koning was een sociaal bewogen mens, gaf zijn geld makkelijk weg en het is wel zeker dat hij behalve Van Lierop, die lichamelijk gehandicapt was en ook een opleiding aan de Rijksacademie had gevolgd, ook andere mensen heeft geholpen. De kunstenaar heeft in het begin van het maecenaat verschillende portretten geschilderd van o.a. echtgenote Wilhelmien van Rede en de kinderen. Mogelijk was het een opdracht. Verder werd de kunstenaar door zijn maecenas volkomen vrijgelaten wat belangrijk is geweest voor zijn ontwikkeling.
Toen de economische malaise in de jaren dertig Gijsbert van Rede dwong te bezuinigen op zijn hulp aan kunstenaars (naast Koning steunde hij ook de musicus Iskar Aribo en kunstenaar Jan Peters), moest Koning gedwongen de pastorie in Elst, waar hij in 1930 naar was verhuisd, verlaten.
Koning is nog bij de familie Van Rede in huize De Noord in Bennekom gaan wonen en had er een atelier in de tuin. Willem van Lierop, die bij hem had ingewoond, verhuisde naar de Vissersweg in Elst. Hij bewoonde er de zolder bij de familie Van de Berg.

Ook in Bennekom maakte Koning portretten. Dochter Miep van Rede herinnert zich "de mooie en spannende verhalen van o.a. De Sneeuwkoningin en de Kleine zeemeermin, die hij vertelde, terwijl hij tekende en ik poseerde".
Achter het woonhuis had Van Rede een schilderijenzaal laten bouwen om zijn kunstverzameling in onder te brengen.
In 1940 bij het begin van de oorlog logeerde Koning met zijn vrouw bij de familie in Bennekom. Miep van Rede schrijft: "Het was namelijk die week prachtig en zelfs warm weer. We zaten die avond van de 9e mei na het avondeten nog enige tijd buiten in die heerlijke tuin en hadden plezier met elkaar. Helaas de volgende ochtend ongeveer 5 uur raasden bij ons de eerste lage vliegtuigen over en werden wij hardhandig gewekt. 2 Dagen later moesten wij met elkaar evacueren (voor een paar dagen) richting Apeldoorn in verband met schietingsgevaar vanaf de Grebbeberg. Na de capitulatie op 14 mei keerden wij naar huis terug en oom Kees en tante Ali vertrokken zo spoedig mogelijk naar Amsterdam om te kijken of daar thuis alles in orde was". Zowel door de Duitsers als later bij de bevrijding is er in Huize De Noord door afwezigheid van de familie ingebroken en zijn verschillende kunstwerken meegenomen.

Koning hield contact met de familie ook nadat hij weer was verhuisd naar Amsterdam. Hij verlangde naar de stad en miste zeer zijn vrienden in de kunst die hem regelmatig hadden opgezocht in Elst maar minder vaak in Bennekom.
Min of meer gelijktijdig verhuisde Willem van Lierop vanuit Elst naar de hoofdstad. Beide kunstenaars klopten in 1935 aan bij de Sociale Dienst van de Gemeente Amsterdam voor steun. Koning kreeg deze direct maar Van Lierop niet. Hij kreeg van de ambtenaar te horen: "...maar jij hebt toch altijd steun gekregen van Koning?"...


Werk Cornelis Koning - Elst
"Elst" - begin jaren '30
Olieverf op linnen
80 x 60 cm (B x H)

Cornelis Koning verhuisde rond 1930 naar Elst bij Rhenen in de provincie Utrecht. Hij woonde er in de pastorie die vrijkwam toen predikant Hogendijk vertrok naar Echteld. De kunstenaar had zijn atelier op zolder. Hij had er een groot raam laten maken met uitzicht over de uiterwaarden en de Rijn.
Tijdlang woonde de graficus Willem van Lierop (1891-1968) bij hem in. Koning en Van Lierop aten tussen de middag bij de familie van slager Van Ree, die naast de pastorie woonde. Ook kwam Koning vaak bij de familie Van de Berg om er te eten of koffie of thee te drinken. Hield moeder Van de Berg iets over van het eten, dan vroeg Koning of hij het mee mocht nemen. Zij deed het eten voor hem in een zakje dat Koning dan op zijn hoofd zette. Vervolgens deed hij zijn hoed op.
Koning verhuisde in april 1934 naar Bennekom om daarna weer te verhuizen naar Amsterdam. De pastorie in Elst is eind jaren '40 gesloopt.

Vanuit een bovenraam kijkt Koning op huizen aan de overkant van de straat in Elst. Een paar kinderen staan voor een wit geschilderd huis en verderop zien we nog een paar figuren. De zware verticalen van enkele bomen zonder blad markeren de straat. We kunnen nog net over de daken verder weg gelegen huizen zien.
Het doek is in meerdere verflagen geschilderd. Contouren domineren. Alles wordt vereenvoudigd weergegeven maar is nog opgesloten in zijn vorm. Het onderwerp lijkt gevangen in een stil winters licht.


Werk Cornelis Koning
Portret Aal
Olieverf op linnen
30 x 31 cm
Niet gesigneerd, niet gedateerd
(vermoedelijk 1935 - 1940)

Toen Cornelis Koning in 1935 een woning vond aan de Prinsengracht en weer gehuisvest was in Amsterdam, zocht hij een model die voor hem wilde poseren. Hij deed navraag bij Corrie de Jong, model aan de Rijksacademie en model voor o.a. beeldhouwer John Raedecker (1885 - 1956).
Zij vroeg haar zus Aal de Jong te poseren voor Koning. Het poseren zat in de familie, want ook broer Rijk poseerde o.a. aan de Rijksacademie.

Aal de Jong (Amsterdam 1904 - Amstelveen 1984), zweminstructrice van beroep, begon met poseren voor Koning en zo 'raakte het aan'. Zij kwam bij hem wonen, werd zijn muze en werd zijn vrouw.
Zij stimuleerde haar man en 'kroop in zijn werk'. Van Koning is de uitspraak bekend: "Wat is de kunstenaar gezegend als zijn vrouw de professor is".
Beiden hadden veel voor elkaar over. Wanneer er niets te besteden was moest er geïmproviseerd worden. Zo vertelde Daniël Esser, zoon van beeldhouwer Piet Esser (1914 - 2004) mij dat Aal "op een dag midden in de winter naar de stad ging. Zij kwam terug zonder winterjas maar mét verf voor haar man".

Op klein bijna vierkant formaat schildert de tonalist Koning een gelijkend portret tegen een donkere achtergrond. Er komt licht van linksboven. Een slagschaduw in de hals en een donker accent op het jukbeen en de haarpartij rechtsboven laat het iets gedraaide hoofd naar voren komen. Hij gebruikt voor het gezicht vooral okers en aardkleuren en geen wit. Wit wordt wél gebruikt in het kraagje en op de schouders van wat een licht truitje lijkt te zijn.
Het portret heeft iets van een plotselinge ontmoeting omdat Aal niet centraal in het midden van het doek is geplaatst. 


Werk Cornelis Koning - Dolly
"Dolly" - jaar 1936?
Olieverf op linnen
80 x 85 cm (B x H)

In 1970 bezocht de eigenaar van dit bijzondere portret van een schoonzus van de kunstenaar, een expositie in het Weefhuis in Zaandijk. Hij was direct gegrepen door dit schilderij en wilde het kopen. De geëxposeerde werken van Koning werden echter op deze tentoonstelling niet te koop aangeboden. Toch werd er contact gelegd met de weduwe Aal Koning - de Jong. Uiteindelijk stemde zij toe en mocht het vastgestelde bedrag in twee termijnen worden betaald.


Werk Cornelis Koning - Henk Broer
"Portret van de schilder Cornelis Koning"
Geschilderd door Henk Broer - vermoedelijk rond 1940
Olieverf op linnen
80 x 100 cm (B x H)

Henk Broer schilderde dit portret van zijn vriend vermoedelijk rond 1940. De geportretteerde zit diagonaal op een stoel waarbij hij de rugleuning omarmt. Cornelis Koning die rossig haar had draagt een donkere (alpino)pet.

Cornelis, voor familie en vrienden ook Cor of Kees, werkte een tijdlang in zijn atelier ook wel samen met Broer. Hij gaf dan aanwijzingen aan zijn jongere collega. 's Ochtends klopte Broer aan en liep naar binnen. De deur bij Koning was nooit op slot. Koning, nog niet aangekleed, zette de Bijbel voor hem neer en stak een kaars aan. "Eerst de Bijbel", zei hij en begon, nog in zijn ondergoed, voor te lezen. Echt lesgeven deed Koning niet. Tekenlessen heeft hij wel gegeven aan Nel Moulijn, dochter van zijn tandarts, in ruil voor het opknappen van zijn gebit. Koning en Broer werkten ook samen naar (naakt)model. Cornelis moet de spil zijn geweest in allerlei verschillende modeltekengroepjes. Hij had in één van zijn adressenboekjes de namen genoteerd van zo'n 50 modellen en schreef erbij of de man of vrouw eventueel naakt wilde poseren. Een van de namen was die van Truus Trompert, een bekend Amsterdams model die o.a. poseerde voor Charlotte van Pallandt met wie Koning ook bevriend was. Henk Broer, autodidact, werd docent aan de Koninklijke Academie in Den Haag en de Rietveldacademie in Amsterdam. In 1956 ontving hij de Staatsprijs voor de Tekenkunst.


Portret Corrie Jongert door Cornelis Koning
"Portret Corrie Jongert - de Jong"
olieverf op board
43 x 48 cm (B x H)
niet gesigneerd, niet gedateerd
Liggend naakt door Cornelis Koning
"Liggend naakt" olieverf op linnen, afmetingen onbekend, gedateerd 1921

Van 15 december 1972 t/m 7 januari 1973 werd in het gebouw van kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae in Amsterdam de tentoonstelling "Noord-Hollandse Figuratieven in Arti" gehouden. In de trappenhal en de verschillende zalen waren in meerderheid werken te zien van de oudere generatie, van de overleden kunstenaars o.a. Cornelis Koning, Jaap Kaal, Willem van Lierop, Arie van Mever, Johan Buning, H.F. Boot en Ro Mogendorff. Kunstenaars uit Amsterdam, Haarlem en de Zaanstreek. Van de jongere generatie o.a. Henk Broer, Pieter Giltaij, Clara de Jong, Jet Schregardus, Peter Teeling en Henk Zomer. Ze deden allemaal mee onder dezelfde noemer. De belangstelling voor de sobere en ingehouden schilderkunst van o.a. Cornelis Koning was even terug.

Zo'n dertig jaar eerder: het bestuur van Arti besluit na een bevel op 11 juli 1941 van de Sicherheitspolizei tot overdracht van alle bezittingen – dat 18 dagen later weer werd ingetrokken – om de vereniging in zijn geheel aan te melden bij de Kultuurkamer. Nog vöördat per openbare verordening de kunstenaarsvereniging verplicht werd zich aan te sluiten. In feite was de Kultuurkamer een fuik met de bedoeling alle Nederlandse kunstenaars en ambachtslieden uit alle verschillende disciplines, uit de toegepaste kunst en kunstnijverheid, en ook kunsthandelaren, architecten, schrijvers, acteurs, componisten en musici te laten aansluiten bij de Duitse fascistische kultuurpolitiek. Arti had als argument om dit te doen de bescherming van haar bezittingen: een groot gebouw aan het Rokin, een half miljoen gulden en een fonds voor de weduwen en wezen van kunstenaarsleden.
Er moest om te kunnen blijven werken als kunstenaar een Ariërverklaring worden ondertekend en dit betekende uitsluiting van alle Joodse kunstenaars. Deze stap van Arti werd door velen beschouwd als "laf" en "slap". Toch ging het grootste deel van de leden in dit besluit mee en slechts een minderheid protesteerde of stapte uit de vereniging. Individueel meldde een aantal leden zich ook aan bij de Kultuurkamer. Sommigen hielden dit geheim.
Zoals velen moet Cornelis Koning, die in 1935 op voordracht van  Hendrik Jan Wolter en G. Westermann gewoon, niet-stemhebbend Arti-lid was geworden, ook bang geweest zijn niet meer te kunnen of mogen werken en niet meer te kunnen of mogen exposeren. Koning bleef lid. Zijn aanmeldingsformulier werd door de Kultuurkamer ontvangen op 26 april 1942. De Ariërverklaring werd naar hem toegezonden op 8 oktober van datzelfde jaar. Dat ging hem duidelijk te ver en hij weigerde dit formulier te tekenen. De aanmelding betekende overigens nog niet dat hij automatisch geaccepteerd was, want deze moest administratief verwerkt en nog langs verschillende ambtenaren.
Na de aansluiting van Arti was hij present met een enkel of een tweetal werken op de verschillende jaarlijkse ledententoonstellingen, met uitzondering van de Zomertentoonstelling in 1944. Na de oorlog bleef hij lid en werd hij later in 1951 op de vergadering van 2 november nog samen met beeldhouwer Kees Schrikker (1898 -1998) bij acclamatie gekozen als afgevaardigde naar de Federatie van Beeldende Kunstenaarsverenigingen. Als hij een maand later plotseling komt te overlijden wordt Koning op de ledenvergadering door voorzitter David Schulman herdacht met enkele woorden: .."Koning was een zeer persoonlijk kunstenaar, die grote belangstelling voor Arti steeds betoonde en op geen vergadering ontbrak".

Cornelis Koning verhuisde op 8 augustus 1940 van het adres Prinsengracht 464 naar een kleine bovenwoning aan de Weteringstraat 16-18. Men besteeg een steile trap. Boven links was het woongedeelte, huisnummer 16 en rechts het atelier, nummer 18. Paul Burger, vriend van de kunstenaar: "Als je er binnenkwam was het net een Bijbels tafereel". Onduidelijk wanneer precies en door welke omstandigheden maar noodgedwongen is de kunstenaar tijdens de oorlog gaan inwonen bij zijn zwager kunstschilder Gé Jongert (1906-1999) en schoonzus Corrie Jongert-de Jong, zus van Aal. Gé Jongert zat in het verzet. Hij had in de kelder van zijn huis de mogelijkheid om illegaal drukwerk te produceren. Toen alles op de bon ging werd het gezin Jongert geholpen met materialen en met voedsel. In het grote monumentale grachtenpand aan de Brouwersgracht 128 had Koning atelierruimte en ontstonden de werken "In de keuken" en "Laat de kinderen tot mij komen". Voor Koning was de schilderkunst het belangrijkste item in zijn leven en hij wilde met alle mogelijke middelen kunnen blijven schilderen, maar hij moest met minder tevreden zijn: goedkope grondstoffen en verven en een beperkt kleurenpalet. Dit had gevolgen voor zowel het uiterlijk van zijn schilderijen als de kwaliteit ervan. Hij recycelde schildersmateriaal door eerder gebruikte doeken af te schuren en over te schilderen. Op die manier kon de kunstenaar blijven werken en heeft hij ook nog in 1943 buiten de hoofdstad geëxposeerd. Het klimaat voor kunstschilders in de oorlog was zeker niet ongunstig. Expositiemogelijkheden waren er meer dan genoeg. Op tentoonstellingen van Arti verkocht de kunstenaar in de oorlogsjaren echter heel weinig. Wel opvallend is de verkoop van een schilderij op de Voorjaarstentoonstelling van 1942. "Zuider Wandelweg" werd verkocht voor 175 gulden aan de Commissie A, Rijksopdracht. Op de Zomertentoonstelling van hetzelfde jaar verkocht Koning voor 350 gulden een "Zelfportret" aan het nationaal-socialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Het schilderij kan aangekocht zijn om deel uit te gaan maken van een "Zelfportrettengalerij", een idee van voorzitter Ed Gerdes. Of de kunstenaar met deze verkoop blij is geweest of niet, het moet hebben geleid tot kritische vragen in zijn omgeving en na de oorlog moet het hem achtervolgd hebben. Hij negeerde het taboe op exposeren dat voor sommige collega's wel degelijk bestond. De schilderkunst van Cornelis Koning had niets te maken met de nazistische propaganda in die tijd, maar de kunstenaar Koning liep wel het risico dat zijn werk uithangbord voor een foute politieke organisatie kon worden. In 1943 werd de kunstenaar vijftig jaar oud en misschien werd daarom ook een bescheiden overzichtstentoonstelling gehouden van 10 april t/m 8 mei bij kunsthandel Unger in Rotterdam. Aansluitend deed een aantal werken op dezelfde plek nog mee met een groepstentoonstelling, waar ook werk van o.a. Aad de Haas te zien was. Iets later van 29 mei t/m 19 juni ging een aantal werken door naar de Zeestraat in Den Haag naar kunsthandel Martinus Liernur. Er waren een paar vroege landschappen uit 1918, nog in de sfeer van de late Haagse School te zien en verschillende werken uit latere periodes. Uit 1921 een schilderij met een op de rug liggend naakt, ook een voorbeeld van vroeg werk waar de gesloten contouren opvallen en dun geschilderd in lichte roomkleurige en grijze tinten. Het doek moet op groot formaat zijn geschilderd. Van de hand van zijn vriend Gerard Drost is een schilderij bekend met hetzelfde onderwerp en een bijna identieke pose. De twee kunstenaars moeten naast elkaar naar hetzelfde model hebben gewerkt. Cornelis Koning had als kunstenaar al een naam opgebouwd wat blijkt uit de verschillende recensies in de kranten. In de Telegraaf noemt Cornelis Veth hem een "origineel schilder". Verder merkt de recensent op: "Misschien ziet men aan de tekeningen nog het eerst, hoe weinig deze schilder een richting volgt, of zich met zijn werk bij een of andere groep aansluit".
W. Jos de Gruyter schrijft in Het Vaderland: .."het werk toont een sterke geestelijke achtergrond en doet zeer doorleefd aan, terwijl het tevens wezenlijk de uiting is van een schilder". Niet bekend is of hij ook daadwerkelijk tekeningen en/of schilderijen heeft verkocht in Rotterdam of Den Haag.
Koning heeft de gelegenheid om te exposeren en te kunnen verkopen aangegrepen om zodoende het hoofd boven water te kunnen blijven houden want de omstandigheden waren in de loop van de oorlogsperiode voor de kunstenaar en zijn vrouw heel moeilijk geworden. Bekend is dat hij met zijn vrouw op "hongertocht" ging en aanklopte o.a. bij de familie Van Rede.
De spanningen in Amsterdam werden hem op een gegeven moment teveel. In de zomer van 1944 ontvlucht de kunstenaar de hoofdstad en gaat hij met Aal naar Zr. Deborah Vis, oud-dorpsgenote uit Zaandijk, werkzaam als wijkverpleegkundige in Giethoorn om er tot voorjaar 1945 te blijven.

Na de bevrijding werd het bestuur van Arti uit haar functie gezet. De prijs die men moest betalen voor het behoud van het materiële bezit was hoog. Men moest in het reine zien te komen met het verleden. Koningin Wilhelmina, beschermvrouw van Arti et Amicitiae, bedankte. Bij latere herdenkingen en een In Memoriam werd fel geprotesteerd en door de pers werd fel gereageerd. Tentoonstellingen kregen minder aandacht van journalisten. Pas vanaf de jaren vijftig veranderde Arti's artistieke identiteit. De jonge generatie vernieuwde de vereniging van binnenuit.
Van de controverse ontstaan tijdens en na de oorlog door de deelname van de meerderheid van de Arti-leden aan de Kultuurkamer, het uitsluiten van Joodse leden, van de ruzies, de verwijten en felle discussies was begin jaren zeventig van de vorige eeuw weinig meer te bespeuren.
Op de groepstentoonstelling in Arti in 1972 was een groot doek met een staand naakt van Koning tentoongesteld in de trappenhal. Het werd op klaarlichte dag gestolen. Aal Koning–de Jong, die het grootste deel van de geëxposeerde werken voor de expositie uitleende, reageerde vrij laconiek op de diefstal met de woorden: "Dan moeten ze het wel mooi hebben gevonden!". Het schilderij is nooit teruggevonden.

Met dank aan Jan de Jong.

Bronnen en geraadpleegde literatuur:

  • Stadsarchief, Amsterdam
  • Archief Maatschappij Arti et Amicitiae, Amsterdam
  • Archief NIOD, instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies, Amsterdam
  • Carel Blotkamp e.a. "Geaarde Kunst, door de staat gekocht '40–'45", uitgeverij Waanders Zwolle (2015)
  • Jan Jaap Heij e.a. "Een vereniging van ernstige kunstenaars", 150 jaar Arti et Amicitiae, uitgeverij Thoth, Amsterdam 1989
  • Hans Mulder "Kunst in crisis en bezetting", uitgeverij Het Spectrum, Utrecht / Antwerpen 1978
  • Adriaan Venema "Kunsthandel in Nederland 1940–1945", uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1986
  • Claartje Wesselink "Kunstenaars van de Kultuurkamer, geschiedenis en herinnering", uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2014


Zelfportret Cornelis Koning
"Zelfportret met rode mantel" - 1941
Gesigneerd linksonder CKoning 1941
Olieverf op linnen
40 x 65 cm (B x H)

In 1983 bracht ik een bezoek aan de Zaanse schilder Jan de Boer (1902 - 1988) en zijn vrouw Jans die in Zaandam in een prachtig houten huis woonden. Jan de Boer was in zijn jonge jaren bevriend met Cornelis Koning. De Boer die lang als huisschilder heeft gewerkt, was in zijn schilderkunst sober van opzet, vereenvoudigend en ingehouden van kleur, beïnvloed door Koning, Jaap Kaal en Cor Dik.
De Boer was een groot bewonderaar van het werk van Koning en kwam in het bezit van een aantal prachtige olieverfschilderijen.
De Typhoon van 3 september 1970 wijdde een artikel aan zijn verzameling. Journalist W.P. Groot vermeldt met nadruk dat het om 20 schilderijen ging die "allang een plaats in een Zaans museum hadden moeten krijgen".
Koning kreeg op dat moment en ook in het verleden weinig erkenning meende de schrijver: ..."Dat gebeurde trouwens evenmin in de jaren twintig toen Cornelis Koning honger leed. Hij kreeg een zak rijst van de vader van de schilder Cees Bolding en liep als gevolg daarvan een darmstoornis op, waarvan hij in een ziekenhuis moest worden verlost....".

Door het huis verspreid hingen de doeken van Koning aan de wanden, of stonden onder er tegenaan. Achterin het huis had Jan de Boer zijn atelier en daar hing het zelfportret met rode mantel. Het doek had nog de originele lijst. Koning liet zijn schilderijen wel voorzien door zijn lijstenmaker van een passende houten lijst, maar zette er dan zelf nog met verdunde verf een kleur op.
Het zelfportret kon ik van Jan de Boer kopen en was het allereerste schilderij in mijn eigen verzameling.

Het doek is bijzonder in zijn afmetingen en geschilderd met verdunde olieverf.
Aan dit zelfportret met de opvallende mantel ging een reeks van getekende voorstudies vooraf. Telkens portretteert hij zichzelf in een getemperd licht. Zoals hij tekent met losse potloodlijnen, schildert hij zichzelf met losse, speelse kleurvlekken. Opvallend is de warmrode kleur van de mantel die over de grijze jas hangt.
Ik heb me ooit afgevraagd: Waarom die jas, die een kamerjas moet zijn geweest, over een andere jas, totdat iemand me zei dat de reden "de kou in het atelier" wel eens geweest kon zijn.


Werk Boederij met sloot in Giethoorn van Cornelis Koning

"Boederij met sloot in Giethoorn", olieverf op linnen, 54 x 76 cm
Werk In de stal van Cornelis Koning
"In de stal", gemengde techniek op papier, 37 x 46 cm
Werk Vrouw op een brug van Cornelis Koning
"Vrouw op een brug", potlood op papier

In de zomer van 1944 logeerden de kunstenaar en zijn vrouw bij Zr. Deborah (Bori) Vis in het huis de 'Geythorn' aan het Binnenpad 65 in Giethoorn - Zuid. Dat beviel heel goed van beide kanten en het verblijf kon verlengd worden tot voorjaar '45 omdat kunstliefhebster Deborah Vis een schilderij van Koning kocht.
In het schilderachtige Giethoorn in Overijssel, omgeven door een uniek merengebied dat herinneringen opriep aan zijn geboortedorp Zaandijk, kon de kunstenaar weer op adem komen. Hij tekende en schilderde er de tussen hoge bomen verscholen boerderijen met schuren en de talloze bruggen en vonders - het moeten er in die tijd wel een honderd geweest zijn - over de gracht met de punters en roeiboten. 
In Giethoorn leerde hij verschillende mensen kennen waaronder zijn jongere collega Piet Zwiers (1907 - 1965). Samen trokken ze er wel op uit om buiten te tekenen en te schilderen. En natuurlijk werd er door beiden veel gesproken over de vraag hoe het verder moest met Nederland, de schilderkunst en de positie van de kunstenaar in de nieuwe maatschappij als de oorlog eenmaal voorbij zou zijn.
De schilderijen die er tijdens zijn eerste verblijf ontstaan zijn vaak nog donker. Koning is niet uit op een topografisch exacte weergave van het geziene, al herkennen we onmiddellijk dat het in Giethoorn gemaakt moet zijn. Van bovenstaand schilderij is de locatie bekend. De schilder zat bij het huis van de familie Willem Mulder en schilderde de noordkant van de boerderij van Jan Broer aan het Binnenpad 73. Het doek is niet gesigneerd of gedateerd. 
Recyclen van materiaal was in die tijd voor Koning noodzaak en heel gewoon. Het spieraam van het schilderij werd door de kunstenaar vergroot met een latje aan de zijkant waardoor het passend werd gemaakt voor een bestaande houten lijst. Het vergrootte raam werd opnieuw opgespannen met vertinde kopspijkers. Mogelijk is het schilderij 'Boerderij met sloot in Giethoorn' dat nog steeds zijn favoriete kleuren als gele en rode oker, transparant goudoker en ultramarijn laat zien, ontstaan bij een later bezoek aan de omgeving. Het doek was ooit in het bezit van Deborah Vis.

De sfeer in het nog niet door de vele toeristen bezochte Giethoorn en de mogelijkheid om er te tekenen en te schilderen is voor Koning reden er terug te keren. Dat doet hij ook nog in 1951, drie maanden vóór zijn overlijden. Hij moet er zich op verheugd hebben. Zaterdag 1 september moet hij de huur opsturen, zo noteert hij in zijn aantekeningenboekje, koopt op krediet tekenmateriaal bij Stapper & Koeman in de Kinkerstraat en heeft dan nog een schuld staan van ruim 44 gulden. Op zondag schrijft hij, om niks te vergeten, wat er zoal in de koffers moet: teken- en schildersspullen, zijn adressenboekje en ook een boek en een krant.  Verder een stoeltje, een houten schot, plakband en gluton. Er gaan ook 3 schilderijen mee voor Bori Vis, misschien wel om de verblijfskosten mee te betalen. Op maandag moet hij nog naar de kruidenier voor "versch roggebrood en een pakje vermicellisoep", brengt schilderijen weg naar het Stedelijk Museum -een landschapsschilderij werd voor het museum aangekocht door B&W van Amsterdam - haalt geld op bij Arti, vraagt wanneer hij werk moet inzenden voor de Najaarstentoonstelling en brengt de koffers naar Van Gend & Loos. Dinsdag 4 september vertrekt hij naar Giethoorn.


Werk Cornelis Koning

"Boerderij Texel" - 1947
Gesigneerd rechtsonder CKoning 1947
Op de rand rechtsonder XXII (tentoonstellingsnummer?)
Potlood op papier
Afmetingen B x H  31 x 14,5 cm

Op deze tekening zien we een boerderij op het eiland Texel. Links en rechts enige boompartijen.  Cornelis Koning is verschillende keren voor korte of langere tijd op Texel geweest. Zijn zwager en schoonzus, huisarts Wim Renout en zijn vrouw Wil de Jong, boden hem en zijn vrouw een gastvrij onderkomen in hun huis in Oosterend.

In de vroege meer uitgewerkte tekeningen van Cornelis Koning worden lijnen bijna overal even sterk benadrukt. Mede hierdoor krijgen deze tekeningen een sterke ordening. Verderop in zijn ontwikkeling, niet exact aan te geven wanneer, doorbreekt de tekenaar de omtrekslijn. Hij omspeelt dan de vormen met losse lijnen. In de tekening van de boerderij op Texel heeft Koning de orde tot de chaos geroepen. Zo lijkt het. Het geheel wordt meer vereenvoudigd weergegeven, maar alles zit op zijn plaats. De lucht is met arceringen in meer verticale richting uitgewerkt. Details worden weggelaten. De potloodlijnen en vegen, de krassen in het papier in een wirwar van bewegingen - met vaart op het papier gezet -  geven het geziene duidelijk en treffend weer. Door subtiele donker- en lichtverschillen wordt de boerderij ruimtelijk gemaakt en bereikt de tekenaar tevens een grote intimiteit in zijn tekening.


Cornelis Koning en Aal tekenend naar model

"Cornelis Koning en Aal tekenend naar model"
inkttekening Henk Broer, eind jaren '40, afmetingen H x B  39 x 49 cm
Werk studieblad met twee naakten Cornelis Koning
"Studieblad met twee naakten" potlood op papier
Werk Zittend naakt van Cornelis Koning
"Zittend naakt" olieverf op linnen, 71 x 60 cm

Een veel lichter palet is de opvallendste verandering in het werk van de kunstenaar ontstaan in de jaren na 1945. Zijn palet is lichter maar bevat niet méér kleur, die blijft beperkt. Hij gebruikt ook weer meer wit, een wit dat een tijd op zijn palet gewoon ontbrak. Op het adres in de Weteringstraat wordt op een witgedekte tafel een stilleven met wit serviesgoed opgebouwd. Dit doet hij later in het atelier aan de Zomerdijkstraat nogmaals. Het doek met stilleven in witten wordt zijn laatste schilderij.
De voorstelling in zijn werk wordt steeds meer vereenvoudigd weergegeven. De verfmaterie wordt dun opgebracht met soms, zo lijkt het, bijna versleten penselen. Schilderen is vlekken maken geworden.
In zijn schetsen en tekeningen zien we een vergelijkbare en opmerkelijke ontwikkeling. De tekenaar zoekt veel meer het abstracte in het figuratieve.
Met arceringen in soms snelle bewegingen volgt hij de contouren van een model of de vormen in een landschap. Een andere keer zijn het meer golvende lijnen die de vorm aangeven en het geziene tot leven wekken. De lijnen bezitten meer spanning en tegelijk is er meer experiment en meer vrijheid. Details worden weggelaten en subtiele donker - lichtverschillen maken een portret of figuur ruimtelijk, grote contrasten ontbreken. De kunstenaar schept verdroomde beelden en het werk krijgt iets onstoffelijks.
Collega Henk Broer wijst op de ontroering in het werk bij zijn openingswoord op zaterdag 14 juni 1948 als een tentoonstelling van tekeningen en schilderijen van Koning van start gaat in de "Haverkamp" aan het Kerkpad in Soest.
..."Het werk van Koning is moeilijk te classificeren, om er een - isme aan te verbinden. Wat ons jongere collega's uit zijn omgeving, altijd van bewondering vervult is de ontroering in de verbeelding van elk object en de grote invloed, die van deze bewogenheid op ons uitgaat. Koning ziet het leven niet als bewoner van de grote stad. Men zou eerder kunnen zeggen, dat hij datgene uitbeeldt, dat noch aan plaats, noch aan tijd gebonden is. Het kind van zes eeuwen geleden is voor hem zoals het kind van nu...". De tentoonstelling die tot 26 juni duurde met volgens de Hilversumse krant Gooi - en Eemlander vooral werk op klein formaat - daarbij was ook het schilderij 'Museumbezoek' - moet volgens mevrouw Blok - Eysink, toenmalig eigenaresse van de Haverkamp niet omvangrijk zijn geweest. Ze meende zich te kunnen herinneren dat Koning het werk met de fiets vanuit Amsterdam naar Soest had gebracht!

Op bovenstaande inkttekening zien we links een onbekende achter een driepoot, met Koning zittend in het midden tekenend naar een model, een klep boven de ogen. Zijn vrouw Aal die hij vaak aanmoedigde om mee te doen bij het modeltekenen zit naast hem. Beiden hebben tekenpapier op schoot. De klep knipte Koning uit een stuk karton en maakte deze vast met een touwtje of elastiek. Cornelis Koning verdroeg niet te veel licht. Mogelijk had dit verband met een afwijking in een van zijn ogen. In feite zag hij met dit oog beperkt door een zogenoemde 'balk' wat hem echter nooit heeft verhinderd zijn leven lang met grote gedrevenheid vanuit de waarneming te tekenen en te schilderen.